Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 2,00 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 1,00 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
Sabril® wordt gebruikt om verschillende vormen van epilepsie te helpen controleren. Het wordt gebruikt in associatie met uw gewoon geneesmiddel om "moeilijk te controleren" epilepsie te behandelen. Het zal initieel voorgeschreven worden door een specialist. Uw antwoord op de behandeling zal opgevolgd worden. Het wordt ook gebruikt om infantiele spasmen te controleren (syndroom van West).
4.4. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Anders dan voor behandeling van infantiele spasmen, mag Sabril niet worden gestart als monotherapie.
Bij patiënten die behandeld werden met vigabatrine zijn frequent (in ongeveer één derde van de gevallen) gezichtsvelddefecten ("visual field defects", VFD) gerapporteerd. De frequenties die aangetoond werden in een open klinische studie worden voorgesteld in rubriek 5.1. Deze treden meestal op na maanden tot jaren behandeling met vigabatrine. De mate van beperking van het gezichtsveld kan ernstig zijn. De meeste patiënten met gezichtsvelddefecten die door middel van perimetrie zijn vastgesteld zijn asymptomatisch. Daarom kan deze bijwerking alleen op betrouwbare wijze worden vastgesteld door middel van het systematisch uitvoeren van perimetrie, wat meestal alleen mogelijk is bij patiënten met een ontwikkelingsleeftijd van boven de 9 jaar. Voor zuigelingen, kinderen en personen die niet kunnen meewerken aan perimetrie, kan elektroretinografie (ERG), optische coherentietomografie (OCT) en/of andere voor de patiënt geschikte methoden worden overwogen. Patiënten moeten systematisch screeningsonderzoek ondergaan bij het starten met vigabatrine en met regelmatige tussenpozen voor detectie van gezichtsvelddefecten en verminderde gezichtsscherpte (zie Gezichtsvelddefecten en gezichtsscherpte). Beoordeling van het gezichtsvermogen wordt aanbevolen bij aanvang (niet later dan 4 weken na het starten met vigabatrine), om de 3 tot 6 maanden tijdens de behandeling en ongeveer 3 tot 6 maanden na het stopzetten van de behandeling. Beschikbare gegevens suggereren dat de gezichtsvelddefecten niet omkeerbaar zijn, ook niet na staken van de behandeling met vigabatrine. Na stopzetting van de behandeling kan een verslechtering van de VFD niet uitgesloten worden. Daarom dient vigabatrine alleen gebruikt te worden na zorgvuldige afweging van de voor- en nadelen in vergelijking met andere behandelingen. Vanwege het risico op verlies van gezichtsvermogen, moet vigabatrin onmiddellijk geleidelijk worden afgebouwd indien er geen betekenisvolle verbetering wordt gezien na een gepaste behandelingspoging. De respons van de patiënt op en de voortdurende behoefte aan vigabatrine moeten periodiek opnieuw worden beoordeeld. Het gebruik van vigabatrine wordt afgeraden bij patiënten met klinisch significante gezichtsvelddefecten in de anamnese. Gezichtsvelddefecten (VFD): Het gebruikelijke patroon dat uit de beschikbare gegevens naar voren komt, is een concentrische vernauwing van het gezichtsveld van beide ogen, duidelijker waarneembaar bij de neus dan richting de slaap. In het centrale gezichtsveld (binnen 30 graden excentrisch) ziet men vaak een ringvormig defect aan de neuskant. De VFD die bij patiënten werden gevonden varieerden echter van licht tot ernstig. Ernstige gevallen kunnen worden gekenmerkt door tunnelvisie. Ook blindheid werd gemeld bij ernstige gevallen. De meeste patiënten bij wie de defecten door perimetrie werden gevonden hadden eerder zelf geen symptomen waargenomen, zelfs niet wanneer tijdens perimetrie een ernstig defect werd vastgesteld. Het lijkt erop dat de VFD niet omkeerbaar zijn, ook niet na het staken van vigabatrine. Na stopzetting van de behandeling kan een verslechtering van de gezichtsvelddefecten niet uitgesloten worden. Gegevens uit prevalentie-onderzoeken wijzen erop dat tot 1/3 van de patiënten die behandeld worden met vigabatrine VFD heeft. Mannen lopen mogelijk meer risico dan vrouwen. De frequenties die aangetoond werden in een open klinische studie worden voorgesteld in rubriek 5.1. Tijdens deze open klinische studie werd er een mogelijk verband waargenomen tussen het risico op gezichtsvelddefecten en de toename van de blootstelling aan vigabatrine, zowel in termen van dagdosis (van 1g tot meer dan 3g) als in termen van behandelingsduur (maximaal tijdens de drie eerste jaren). Voordat met de behandeling met vigabatrine wordt gestart, dient elke patiënt naar een oogarts te worden verwezen voor gezichtsveldonderzoek. Controle van het gezichtsvermogen door een oogarts met expertise in interpretatie van het gezichtsveld en het vermogen om gedilateerde indirecte oftalmoscopie van het netvlies uit te voeren, wordt aanbevolen. Omdat het testen van het gezichtsvermogen bij baby's moeilijk is, kan het zijn dat er geen verlies van het gezichtsvermogen wordt gedetecteerd totdat het ernstig is. Voor patiënten die vigabatrine krijgen, wordt een beoordeling van het gezichtsveld en/of een retinaonderzoek aanbevolen bij aanvang (niet later dan 4 weken na het starten met vigabatrine), om de 3 tot 6 maanden tijdens de behandeling, en ongeveer 3-6 maanden na het stopzetten van de behandeling. De diagnostische benadering moet worden geïndividualiseerd voor de patiënt en de klinische situatie. Bij volwassenen en coöperatieve pediatrische patiënten wordt perimetrie aanbevolen, bij voorkeur door middel van geautomatiseerde drempelgezichtsveldtesten. Aanvullende testen kunnen ook elektrofysiologie (bijv. elektroretinografie [ERG]), retinale beeldvorming (bijv. optische coherentietomografie [OCT]) en/of andere methoden die geschikt zijn voor de patiënt omvatten. Bij patiënten die niet kunnen worden getest, kan de behandeling worden voortgezet naar klinisch oordeel, met de juiste begeleiding van de patiënt. Vanwege de variabiliteit moeten de resultaten van oftalmologisch onderzoek met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd, en een herhaalde beoordeling wordt aanbevolen als de resultaten abnormaal of niet-interpreteerbaar zijn. Herhaalde beoordeling in de eerste paar weken van de behandeling wordt aanbevolen om vast te stellen of en in welke mate reproduceerbare resultaten kunnen worden verkregen, en om te helpen een geschikte continue monitoring voor de patiënt te selecteren. De patiënt en/of zijn naaste familieleden dienen duidelijk geïnformeerd te worden over de frequentie en gevolgen van het mogelijk voorkomen van VFD tijdens een vigabatrine behandeling. Patiënten dienen elk nieuw visueel probleem te melden alsook symptomen die verband kunnen houden met gezichtsveldvernauwing. Indien symptomen optreden dient de patiënt te worden doorverwezen naar een oogarts. Wanneer gezichtsveldvernauwing wordt geconstateerd tijdens controle, dient geleidelijk afbouwen van de behandeling met vigabatrine te worden overwogen. Mocht besloten worden door te gaan met de behandeling dan dient men te overwegen de patiënt vaker te controleren (perimetrie) om mogelijke progressie of defecten die het zicht bedreigen te onderzoeken. Vigabatrine dient niet gebruikt te worden in combinatie met andere geneesmiddelen die toxisch zijn voor de retina. Gezichtsscherpte De prevalentie van verminderde gezichtsscherpte bij patiënten behandeld met vigabatrine is niet bekend. Retina-aandoening, wazig zien, opticusatrofie of neuritis optica kunnen leiden tot een verminderde gezichtsscherpte (zie rubriek 4.8). Gezichtsscherpte moet worden beoordeeld tijdens oftalmologische consultaties, vóór aanvang van de behandeling met vigabatrine en met intervallen van zes maanden tijdens de behandeling. Neurologische en psychiatrische aandoeningen: De uit preklinisch veiligheidsonderzoek verkregen gegevens wijzen erop dat het aanbeveling verdient om patiënten die met vigabatrine behandeld worden, goed te controleren op neurologische bijwerkingen; (zie rubriek 5.3). In zeldzame gevallen zijn kort na het starten van de therapie met vigabatrine encefalopatische symptomen, zoals duidelijke sedatie, stupor en verwardheid gepaard gaand met een niet-specifieke vertraging van het electro-encefalogramritme, waargenomen. De risicofactoren voor het ontstaan van een dergelijke reactie zijn een hogere startdosis dan gebruikelijk, een stijging van de doses met grotere hoeveelheden dan geadviseerd, en nierfalen. Deze bijwerkingen bleken volledig omkeerbaar na reductie van de dosis of het staken van de vigabatrine behandeling (zie rubriek 4.8 Bijwerkingen). Er werden gevallen van afwijkingen op MRIs van de hersenen gerapporteerd, in het bijzonder bij jonge kinderen die behandeld werden voor infantiele spasmen met hoge dosissen vigabatrine. De klinische betekenis van deze bevindingen is momenteel onbekend. Bovendien werden gevallen van intramyeline oedeem (intramyelinic edema, IME) gerapporteerd, meer bepaald bij jonge kinderen behandeld voor infantiele spasmen (zie rubrieken 4.8 en 5.3). Het werd vermeld dat IME omkeerbaar is bij stoppen van de medicatie, en daarom wordt het aanbevolen vigabatrine progressief af te bouwen wanneer IME wordt waargenomen. Bewegingsstoornissen waaronder dystonie, dyskinesie en hypertonie, werden gerapporteerd bij patiënten die behandeld werden voor infantiele spasmen. De baten/risico verhouding van vigabatrine moet individueel bij de patiënt geëvalueerd worden. Als er nieuwe bewegingsstoornissen optreden tijdens de behandeling met vigabatrine, moet men overwegen om de dosis te verlagen of de behandeling geleidelijk stop te zetten. Zoals bij andere anti-epileptische geneesmiddelen het geval is, zijn er patiënten waarbij het aantal convulsies toeneemt of waarbij een nieuw soort convulsie optreedt tijdens het gebruik van vigabatrine (zie rubriek 4.8 Bijwerkingen). Dit kan het gevolg zijn van overdosering, een afname van plasmaconcentraties van gelijktijdig toegediende anti-epileptica, of het is een paradoxaal effect. Zoals bij andere anti-epileptische geneesmiddelen het geval is, kan abrupte beëindiging van de behandeling leiden tot rebound-insulten. Wanneer de vigabatrine behandeling dient te worden stopgezet wordt geadviseerd dit te doen door middel van het langzaam afbouwen van de dosis binnen een tijdsbestek van 2 tot 4 weken. Men dient terughoudend te zijn met het gebruik van vigabatrine in patiënten met een geschiedenis van psychose, depressie of gedragsproblemen. Psychiatrische problemen (opwinding, depressie, abnormale gedachten, paranoïde reacties) zijn gemeld tijdens het gebruik van vigabatrine. Dit kwam zowel voor bij patiënten met als zonder psychiatrische voorgeschiedenis en de symptomen waren meestal omkeerbaar wanneer de vigabatrine doses werden verminderd of geleidelijk afgebouwd. Suïcidale gedachten en gedrag: Suïcidale gedachten en gedrag werden gerapporteerd bij patiënten behandeld met anti-epileptische geneesmiddelen in verschillende indicaties. Een meta-analyse van gerandomiseerde klinische studies van anti-epileptische geneesmiddelen versus placebo heeft eveneens een kleine verhoging van het risico op suïcidale gedachten en gedrag aangetoond. Het mechanisme van dit effect is niet bekend en de beschikbare gegevens sluiten de mogelijkheid van een verhoogd risico met vigabatrine niet uit. Daarom moeten patiënten met verschijnselen van suïcidale gedachten en gedrag opgevolgd worden en moet een aangepaste behandeling in overweging genomen worden. Aan patiënten (en hun zorgverleners) moet worden aangeraden om onmiddellijk een arts te raadplegen bij het optreden van verschijnselen van suïcidale gedachten of gedrag. Ouderen en patiënten met nierfunctiestoornissen: Vigabatrine wordt door de nier geëlimineerd. Daarom is voorzichtigheid geboden bij gebruik door patiënten met een creatinineklaring van minder dan 60 ml/min en ouderen. Deze patiënten dienen regelmatig gecontroleerd te worden op bijwerkingen, zoals sufheid en verwardheid (zie rubriek 4.2). Interacties om rekening mee te houden Het gelijktijdig gebruik van vigabatrine en clonazepam kan het sedatief effect versterken (zie sectie 4.5). De noodzaak voor gelijktijdig gebruik moet zorgvuldig beoordeeld worden. Sabril filmomhulde tablettten bevat natrium. Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per tablet, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Epilepsie
Vigabatrine is een anti-epilepticum met een bekend werkingsmechanisme. Behandeling met vigabatrine leidt tot verhoging van de spiegels van GABA (gamma aminoboterzuur), de belangrijkste inhibitoire neurotransmitter in de hersenen. Vigabatrine is specifiek ontworpen om GABA-transaminase – het enzym dat verantwoordelijk is voor de afbraak van GABA - selectief en irreversibel te remmen.
Uit gecontroleerde en lange-termijn klinische onderzoeken is gebleken dat vigabatrine een effectief anti-epilepticum is als onderdeel van een combinatietherapie bij patiënten met moeilijk behandelbare epilepsie die onvoldoende reageert op conventionele therapie. Vooral bij patiënten met partiële aanvallen is vigabatrine effectief.
Elke tablet bevat 500 mg vigabatrine.
Hulpstoffen:
Kern van de tablet :
Omhulling van de tablet :
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen? Gelieve uw arts te verwittigen indien u clonazepam gebruikt aangezien het gelijktijdig gebruik met Sabril het risico op slaperigheid kan verhogen. Gebruikt u naast Sabril nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Sabril mag niet gebruikt worden samen met andere geneesmiddelen die ongunstige effecten op de ogen kunnen hebben.
Tijdens gecontroleerde klinische onderzoeken kreeg ongeveer 50% van de patiënten bijwerkingen tijdens behandeling met vigabatrine. Meestal ging het bij volwassenen om bijwerkingen die betrekking hadden op het centraal zenuwstelsel, zoals sufheid, slaperigheid, moeheid en concentratieproblemen. Bij kinderen komen excitatieverschijnselen en opwinding het vaakst voor. Meestal komen deze bijwerkingen vaker voor in het begin van de behandeling en nemen ze gaandeweg af.
Zoals bij andere anti-epileptica ook het geval is, kan er tijdens het gebruik van vigabatrine bij sommige patiënten een toename in het aantal convulsies, waaronder ook status epilepticus, optreden. Met name patiënten die lijden aan myoclonische insulten zijn hier gevoelig voor. In zeldzame gevallen kan een myoclonus opnieuw optreden of een bestaande myoclonus verergeren.
Tabel met bijwerkingen De bijwerkingen werden hieronder geklasseerd in functie van hun frequentie volgens de conventie: (zeer vaak: ≥ 1/10; vaak: ≥ 1/100 tot < 1/10; soms: ≥ 1/1.000 tot < 1/100; zelden: ≥ 1/10.000 tot < 1/1.000; zeer zelden: < 1/10.000, niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Zeer vaak Vaak Soms Zelden Zeer zelden Niet bekend Bloed- en lymfestelselaandoeningen anaemia
Psychische stoornissen* agitatie, agressie, zenuwachtigheid, depressie, paranoïde reactie, insomnia hypomanie, manie, psychotische stoornis Zelfmoordpoging hallucinatie
Zenuwstelselaandoeningen Somnolentie spraakstoornis, hoofdpijn, duizeligheid, paresthesieën, aandachtstoornissen en geheugenverlies, mentale stoornissen (stoornissen in de gedachtenvorming), bevingen Abnormale coordinatie (ataxie) Encefalopathie** optische neuritis Er werden gevallen van afwijkingen op cerebrale MRI gerapporteerd (Zie rubriek 4.4). Bewegingsstoornissen waaronder dystonie, dyskinesie en hypertonie
werden gerapporteerd, alleen of in associatie met afwijkingen op MRI (zie rubriek 4.4)
Oogaandoeningen Gezichtsvelddefecten wazig zicht, diplopie, nystagmus retina-afwijkingen (voornamelijk perifeer) opticusatrofie Verminderde gezichtsscherpte
Maagdarmstelaandoeningen nausea, braken, abdominale pijn
Lever- en gal-aandoeningen hepatitis
Huid- en onderhuidaandoeningen alopecie huiduitslag Angio-oedema, urticaria
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen Gewrichtspijn
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen Vermoeidheid oedeem, prikkelbaarheid
Onderzoeken* ** Gewichtstoename
** Kort na het starten van de behandeling met vigabatrine zijn in zeldzame gevallen encefalopatische symptomen, zoals duidelijke sedatie, stupor en verwardheid gepaard gaand met een niet-specifieke vertraging van het electro-encefalogramritme, waargenomen. Deze bijwerkingen bleken volledig omkeerbaar na reductie van de dosis of het staken van de vigabatrine therapie (zie rubriek 4.4).
Overgevoeligheid voor vigabatrine of één van de hulpstoffen van het geneesmiddel.
4.6. Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Risico's verbonden aan epilepsie en aan anti-epileptische geneesmiddelen in het algemeen De prevalentie van misvormingen is twee tot drie maal hoger bij kinderen die geboren worden uit moeders die behandeld worden met anti-epileptische geneesmiddelen. De afwijkingen die het meest frequent gerapporteerd werden, zijn gespleten lip, cardiovasculaire misvormingen en defecten van de neurale buis. Polytherapie kan gepaard gaan met een hoger risico op congenitale misvormingen dan monotherapie; het is daarom belangrijk monotherapie toe te passen wanneer mogelijk. Elke vrouw die zwanger kan worden of op vruchtbare leeftijd is, moet raadgevingen van een specialist krijgen. De noodzaak van een anti-epileptische behandeling moet opnieuw geëvalueerd worden als er een zwangerschap wordt overwogen. Wanneer een patiënte zwanger wordt, mag de anti-epileptische therapie niet plots gestopt worden aangezien verergering van de ziekte van de moeder schadelijk kan zijn voor de moeder en de foetus. Risico verbonden aan vigabatrine Op basis van gegevens over aan vigabatrine blootgestelde zwangerschappen, die beschikbaar waren op basis van spontane rapporten, werden er abnormale uitkomsten (congenitale afwijkingen of spontane abortus) gerapporteerd bij de nakomelingen van moeders die vigabatrine innamen. Omwille van de beperkte gegevens en de gelijktijdige toediening van andere anti-epileptica, kan er geen definitieve conclusie getrokken worden over een eventuele verhoging van het risico op malformaties met vigabatrine toegediend tijdens de zwangerschap. Dierstudies toonden een reproductieve toxiciteit aan (zie rubriek 5.3.). Sabril moet niet worden gebruikt tijdens de zwangerschap tenzij de klinische toestand van de vrouw een behandeling met vigabatrine vereist. Er is een beperkte hoeveelheid informatie beschikbaar over de prevalentie van gezichtsvelddefecten bij kinderen die in utero met vigabatrine in aanraking zijn gekomen. Borstvoeding Vigabatrine wordt uitgescheiden in de moedermelk. Er is onvoldoende informatie over de effecten van vigabatrine bij neonaten/kinderen. Er moet beslist worden de borstvoeding te staken of de Sabril therapie te stoppen/niet te starten met in acht name van het voordeel van borst-voeding voor het kind en het voordeel van de therapie voor de vrouw. Vruchtbaarheid Vruchtbaarheidsstudies in ratten hebben geen effect op de mannelijke of vrouwelijke vruchtbaarheid aangetoond (zie rubriek 5.3).
Volwassenen
Kinderen
Onderhoudsdosis
10 tot 15 kg: 0,5 - max. 1 g/dag
Toedieningswijze
| CNK | 0383034 |
|---|---|
| Organisaties | Sanofi |
| Merken | Sanofi |
| Breedte | 58 mm |
| Lengte | 87 mm |
| Diepte | 81 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 100 |
| Actieve ingrediënten | vigabatrine |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |